Maandagochtend stap ik het hospice binnen om even snel het weekend aan mijn collega’s over te dragen. Mijn kleinzoon Noël van 4 is met mij mee. Noël blijft bij de vissen kijken als ik de deur van de kamer achter mij dichttrek. Het grote aquarium bij de lift trekt altijd als eerste zijn aandacht.
We zijn het gesprek nog niet begonnen of hij rent de kamer binnen. “Oma, er zwemt een vis achteruit.” Wij kijken hem met z’n drieën wat verbouwereerd aan. “Vissen zwemmen niet achteruit. Ga nog maar een keer goed kijken.” Al snel komt hij weer terug. “Oma, hij zwemt echt achteruit. En ook in rondjes.” Nieuwsgierig loop ik met hem mee. Mijn collega’s, al even nieuwsgierig, in mijn kielzog. En inderdaad. In het aquarium ‘zwemt’ een vis ondersteboven en achteruit in rondjes. De dood is in het hospice heel normaal, en ook mijn kleinzoon maak ik er geen groot ding van. “Tja Noël, deze vis leeft niet meer. We gaan hem een zeemansgraf geven.” Als ik met de vis al onderweg naar het toilet loop roept Noël: “Nee oma, ik wil hem hebben.” Ik kijk verbaasd achterom.
Wij leggen de vis voorzichtig op een servet. Maar dan? Een vrijwilliger weet raad. “Dan moeten we daar een mooi doosje voor maken.” Een andere vrijwilliger die is komen kijken naar alle commotie weet wel hoe en neemt Noël aan de hand mee. Noël heeft allang geen oog meer voor zijn oma. Hij draaft gewillig achter de vrijwilliger in het hospice aan. Het doosje is prachtig geworden. De vis ligt met zijn kopje opzij op een zacht bedje van stof. Noël is er stil van. In de lift zegt hij: “Oma, ik vond die mevrouwen eerst wel spannend. Maar nu vind ik ze heel lief.” “Komt dat omdat ze geholpen hebben met het doosje voor de vis?” Nee, dat niet. Maar het werk bij oma is leuk en hij wil nog een keer mee.
Voor mij is dit het gevoel dat je gezien en gehoord wordt in het Hospice.
Door: Mirjam Wijsbeek (oud-coördinator)